ZOEKEN

zondag 17 februari 2013

Impressies van Italië - 2004

Vulcano - Eolische Eilanden

Ik herinner me de autorit van Mechelen naar Brussels South Charleroi Airport.
Ik herinner me twee meisjes aan een tankstation die liftten naar Parijs.
Ik herinner me dat ik in het vliegtuig naar Pisa een handtekening vroeg aan Pieter van den Hoogenband. Olympisch zwemkampioen op de spelen van Athene 2004.
Ik herinner me de buitenwijken van Pisa waar we door de nacht dwaalden.

Ik herinner me een buurthuis met een binnenkoer waar we de weg vroegen naar het centrum. Italiaans, een beduimeld stadsplan en verwarring.

Ik herinner me dat één van de oudere mannen ons uiteindelijk naar het centraal station leidde, de weg wijzend op zijn fiets.

Ik herinner me de twee Belgen die we tegenkwamen in de stationshal van Pisa Centrale. Ze kwamen net terug van een wandelreis op Corsica. Ze zouden de vroege ochtendtrein nemen naar de luchthaven.

Ik herinner me de oncontroleerbare hoestbuien die me dagenlang parten speelden.

Ik herinner me het plastic zeil dat we openvouwden en over onze rugzakken en materiaal spreidden. We sliepen aan beide uiteinden van het zeil in een hoek van de stationshal.

Ik herinner me de persoon die ons in het midden van de nacht probeerde te bestelen en wegvluchtte in de omliggende straten.

Ik herinner me de drukte in de stationshal bij ontwaken. De Belgen waren verdwenen en we werden omringd door tientallen krioelende voorbijgangers. Een vrouw hielp me met het opvouwen van het plastic zeil.

Ik herinner me de publieke badruimte die we gebruikten in het station van Pisa Centrale. Toeristen en zwervers liepen me voor de voeten.

Ik herinner me de zonnige dag die we doorbrachten in Pisa. We bezochten de binnenstad en betraden het beroemde Piazza dei Miracoli met de Duomo en de scheve toren van Pisa. We rustten er uit op de uitgestrekte grasvelden en later kochten we een pijp van een zwarte straatverkoper in één van de omliggende steegjes.

Ik herinner me de treinreis naar Firenze en de ondergaande zon die het Toscaanse platteland rood kleurde. Aan vele ramen langsheen de spoorweg hingen regenboogkleurige vredesvlaggen met PACE. Italiaanse aanwezigheid tijdens de oorlog in Irak.

Ik herinner me het weerzien met Firenze. Een jaar eerder was ik er met de busdienst van Eurolines alleen naartoe gereisd.

Ik herinner me een treinstation in een buitenwijk van Firenze waar we de nachttrein naar Zuid-Italië zouden nemen. De avond was reeds gevallen en we ontmoetten een Canadese Siciliaan die na vele jaren zijn geboortestreek kwam bezoeken en zijn levensverhaal met ons deelde. Hij woonde in Calgary.

Ik herinner me de overvolle nachttrein en de conducteur die ons een plaats toewees in een treincoupé met een dronken, grommende man die zijn roes lag uit te slapen. De dranklucht was niet te harden.

Ik herinner me de zoektocht naar een betere slaapplaats.

Ik herinner me de Japanse studenten op rondreis door Europa. Ze moesten in Firenze zijn maar stapten uit in Rome.

Ik herinner me de eerste impressies van Zuid-Italië en het zicht op de middellandse zee vanuit onze treincoupé.

Ik herinner me het treinstation van Villa San Giovanni waar we niet tijdig uit de trein geraakten. De trein vertrok weer maar enkele meters verder minderde hij vaart en stopte. We probeerden de treindeur die tot onze verbazing opende.  We gooiden de bagage en onszelf uit de trein. Eindbestemming bereikt.

Ik herinner me onze wandeling naast de sporen naar het station en een groezelige panini in een verduisterde snackbar aan de haven.

Ik herinner me het ticket voor onze overtocht naar Sicilië: 1€.

Ik herinner me de Straat van Messina en een eenzame Italiaanse soldaat die voor zich uitstaarde aan boord. 

Ik herinner me het oude treinstation van Messina, godverlaten in al zijn glorie.

Ik herinner me de Siciliaanse schoolmeisjes zitten op de trappen voor het treinstation.

Ik herinner me de treinreis langsheen de kustlijn van Sicilië. Kilometers vuilnis die verspreid lag over het strand.

Ik herinner me de autowrakken langs de weg en de oude Fiat 500'tjes die je overal zag rondrijden.

Ik herinner me de chaos aan het busstation van Giardini Naxos.

Ik herinner me de buschauffeur die als een ervaren gek over de kusthellingen van Sicilië reed. Schelden op tegenliggers werd afgewisseld met 'Marina' van Rocco Granata.

Ik herinner me camping 'Paradise' onder de schaduw van bomen met zicht op zee.

Ik herinner me goedkope dagelijkse pastamaaltijden met tomatensaus uit flessen. Een gamel, aansteker en gasvuur deden de rest.

Ik herinner me salami, badend in het zonnige vet.

Ik herinner me de lift die een Duitser ons gaf naar Taormina.

Ik herinner me de kabellift naar de oude stad van Taormina.

Ik herinner me het antieke Grieks theater van Taormina.

Ik herinner me de lange terugwandeling langs de hoofdweg naar Messina.

Ik herinner me de verlaten strandboulevard van Letojanni in oktober.

Ik herinner me de gitarist die op het strand zijn muziek zat te tokkelen voor de ruisende zee.

Ik herinner me het muurtje langs de spoorlijn tussen Messina en Catania. We rookten er al zittend onze sigaretten en zagen de schoolgaande jeugd naar huis rennen bij het afgaan van de bel.

Ik herinner me de immense vrijheid en rust die ik voelde in de uitlopers van Europa.

Ik herinner me de goederentreinen die voorbij ratelden naar Catania.

Ik herinner me de sterrennacht op het strand naast onze camping en het eindeloze ruisen van de zee. Nachtelijke bedrijvigheid bij een nabije bouwwerf. Maffia?

Ik herinner me de afgesloten poort van de camping en onze pogingen eroverheen te klimmen. Het gerammel van het traliewerk bracht de nachtwaker die ons nors binnenliet.

Ik herinner me twee Nederlandse meisjes bij hun tent en onze gesprekken over hun trip naar de vulkaan Etna. De top was gehuld in dichte nevels.

Ik herinner me het gekke oude vrouwtje dat in zichzelf zat te praten, murmelend bij het treinstation van Giardini Naxos.

Ik herinner me onze reis naar de vulkaan Etna.

Ik herinner me de donkere, zwartgeblakerde straatjes van Giarre. Overal lawaai van bouten, sleutels en schroefboren in de omliggende autogarages.

Ik herinner me het vervallen vertrekpunt van de treinlijn rond de vulkaan Etna. Een spoorbediende meldde dat er vandaag niet vanaf Giarre kon gereden worden. We moesten per autobus naar een volgende halteplaats.

Ik herinner me het middaguur in Giarre. Alle winkels en luiken gesloten.

Ik herinner me het wachten op een autobus die nooit leek te komen.

Ik herinner me de busrit doorheen de regenachtige heuvels van het Siciliaanse binnenland.

Ik herinner me de treinlijn rond de Etna. De bergdorpjes en de vulkaan in de verte.

Ik herinner me het invallen van het duister en de eindeloze treinrit naar Catania. Verlichte kruisbeelden aan de einder.

Ik herinner me het vismarktje voor het stationsplein van Catania. Op het terrasje aten we een portie friet met vis die we wegspoelden met Birra Morretti. Op TV was er Europees voetbal met RSC Anderlecht-Inter Milaan. Mornar aan de bal. Siciliaanse onverschilligheid.

Ik herinner me de laatste trein naar Messina die we nooit zagen. We dienden de nacht in Catania door te brengen.

Ik herinner me het afgesloten stationsgebouw van Catania Centrale en onze slaapplaats die we oprichtten in een hoek van het stationsplein. Beurtelings hielden we de wacht.

Ik herinner me de eerste ochtendtrein naar Messina die werd vervangen door een autobus. De buschauffeur reed ons door de donkere straten van Siciliaanse dorpen en stadjes. De eerste mensen gingen naar hun werk en voerden een praatje met de chauffeur. Op de achtergrond de nasale stem van Eros Ramazzotti.

Ik herinner me het verlossende uithangbord van camping 'Paradise'. Een busdeur die opende, een iglotent in het vroege ochtendlicht en allesvergetende slaap.

Ik herinner me het afscheid van ons verblijf in camping 'Paradise'. We sloegen een praatje met de oudere eigenares. Omringd door bloemen zat ze aan een tafeltje naast haar huisje dat eveneens dienst deed als receptie. Op de achtergrond het ruisen van de zee. Een paradijs op aarde.

Ik herinner me het havenstadje Milazzo, in het noorden van Sicilië. Bestemming: Eolische Eilanden.

Ik herinner me de nacht aan de kaaien van Milazzo. Een straathond die ons vergezelde en de havenbewaker die opdook. We kookten ons avondmaal maar mochten er niet blijven slapen.

Ik herinner me dat we langs de kaaien dwaalden en een perfecte slaapplaats vonden tussen de beschutting van verschillende stapels houten balken.

Ik herinner me de geluiden van de nacht. Honden die blaften, krijsende katten, lallende stemmen en brekend glas.

Ik herinner me de morgen bij het ontwaken van de dag. Het kleine jachthaventje en het klotsen van het water tegen de kaai. De dauw op mijn slaapzak.

Ik herinner me de ongebondenheid van het zwerven en slapen in openlucht. Gelukzaligheid.

Ik herinner me de aangemeerde ferry naar het eiland Lipari. De geharde bootslui in oranje overalls die al roepend en lachend de trossen losten.

Ik herinner me de boottocht naar Lipari. Het bovendek, ronkende motors en de azuurblauwe zee.

Ik herinner me de drukte in de middeleeuwse steegjes van Lipari.

Ik herinner me de oude Amerikaanse toeriste die als vrijwilligster werkte bij een organisatie ter bestrijding van AIDS.

Ik herinner me de wandeling langs de oude vestingmuren boven de oude stad van Lipari.

Ik herinner me er de kerk van Sint-Bartholomeus en de klusjesman die me toegang bood tot afgesloten zalen met prachtige fresco's.

Ik herinner me de kleine jeugdherberg in een verderop gelegen baai.

Ik herinner me dat we de enige gasten waren die dag. We hadden de jeugdherberg helemaal voor onszelf.

Ik herinner me de gesprekken met de onthaalmedewerker. Doorheen het jaar werkte hij in een Milanese bank. Tijdens de zomermaanden hield hij mee de jeugdherberg open.

Ik herinner me het comfort van een bed na dagen op de grond te hebben geslapen.

Ik herinner me de avond aan de strandboulevard bij de jeugdherberg. Op een stenen muurtje dronken we onze biertjes van de kleine supermarkt om de hoek. Een straathond kwam ons gezelschap houden.

Ik herinner me het verlaten strand en de gekleurde parasols die wachtten op toeristen.

Ik herinner me de oude hoteleigenaar aan de haven van Lipari. Eeuwig wachtend op een aanmerende boot. Hij was ooit eens in België geweest. Bij het afscheid gaf hij me zijn visitekaartje. Het heeft nog jaren in mijn portefeuille rondgezworven.

Ik herinner me de beboste heuvels van het eiland Vulcano toen we de haven binnenvoeren.

Ik herinner me de bossen van Vulcano. We wilden er onze tent opslagen maar werden geplaagd door honderden muskieten.

Ik herinner me onze vlucht uit het bos. Achtervolgd door een zwerm hongerige muskieten bij valavond.

Ik herinner me de weg langs het bos. Als in een surrealistische droom stopte er een bestelwagentje met achter het stuur twee oosters geklede figuren. Ze brachten ons terug naar de haven waar ze hun waren verkochten op een toeristisch straatmarktje.

Ik herinner me onze opgezwollen muskietenbeten en de gesloten plaatselijke apotheek.

Ik herinner me de buurvrouw van de apotheek die ons een bundel palmbladeren gaf.

Ik herinner me de palmolie en z'n heilzame uitwerking.

Ik herinner me het uitstekende rotsplateau boven de haven van Vulcano waar we onze geïmproviseerde slaapplaats inrichtten.

Ik herinner me de volle maan en de sterrenpracht met uitzicht over de nachtelijke zee. Vrede.

Ik herinner me de vulkanische modderbaden en de zwavelgeur die weken later nog niet uit je kleren was getrokken.

Ik herinner me de epische bootreis naar Napoli.

Ik herinner de ondergaande zon boven de Eolische zee.

Ik herinner me onze passage voorbij het eiland Stromboli. Reizigers vergaloppeerden zich op het dek om een glimp van de actieve vulkaan waar te nemen.

Ik herinner me te slapen op de vloer van het benedendek terwijl de Italiaanse televisie verder kwetterde.

Ik herinner me het mistige Napels in de mystieke morgen. Napels zien en sterven.

Ik herinner me de volgepakte bussen van de Napolitaanse ochtendspits. Norse gezichten en werkmansleed.

Ik herinner me de chaos van Napels. Scooters, toeterende wagens, uitlaatgassen.

Ik herinner me de zoektocht naar onze jeugdherberg. We wandelden over een modderig voetpadje door een donkere autotunnel. De smog van de wagens was verstikkend. Plots de starende ogen van een rottend kattenkarkas. Er kwam licht aan het einde van de tunnel.

Ik herinner me de passant die ons vertelde dat de jeugdherberg aan de andere kant van de tunnel lag.

Ik herinner me de imposante jeugdherberg van Napels, gelegen op een heuvel boven de stad.

Ik herinner me de Oostduitser die in Wenen woonde. Hij had een Japanse vriendin, hield van elektronicamuziek en was op een technologiebeurs in Napels voor zijn werk.

Ik herinner me de Fransman die archeologie studeerde en Pompeii ging bezoeken.

Ik herinner me de prachtige Galleria Umberto I. Ik kocht er een aantal retrofoto's van Napels. Ze hingen nog lange tijd in mijn kamer te 'Onder den toren'.

Ik herinner me de avond in Napels en de inwoners die na hun werk kwamen rondslenteren in de dromerige binnenstad.

Ik herinner me de jazzmuziekwinkel waar de eigenaar ons een concert van To Rococo Rot aanraadde.

Ik herinner me de metro van Napels en zingende supporters op weg naar een wedstrijd.

Ik herinner me het concert van To Rococo Rot in een ondergrondse nachtclub van Napels.

Ik herinner me Engelse toeristen en de nachtelijke wirwar van steegjes in het oude stadscentrum van Napels. 

Ik herinner me de nachtbussen die niet naar onze jeugdherberg reden.

Ik herinner me de verlaten eindeloze baai van Napels in het oranje straatlicht.

Ik herinner me de straatprostituees aan het Castel Nuovo.

Ik herinner me de verkoper van het vismarktje die ons tevergeefs een lift wilde aanbieden tegen betaling.

Ik herinner me het brutale straatjongetje aan de Piazza del Plebiscito.

Ik herinner me de illegale kopie die ik kocht van de film 'The motorcycle diaries' bij een straatmarktje in een zijsteeg. Terug thuis bleek de film niet te werken.

Ik herinner me de overheerlijke pizza's voor 1€.

Ik herinner me de treinreis naar Pompeii. De Vesuvius op de achtergrond.

Ik herinner me de zigeunerfamilie die naast de weg naar Pompeii aan het bedelen was.

Ik herinner me de ruïnes van Pompeii en de geplaveide steegjes bij zonsondergang. De zon weerkaatsend op witte stenen.

Ik herinner me de binnentuinen van de mozaïeken paleizen.

Ik herinner me de volkse buurten van Pompeii.

Ik herinner me de gipsen lichamen van Pompeii. Slachtoffers van de dramatische vulkaanuitbarsting.

Ik herinner me de treinreis naar de eeuwige stad Rome. In de overvolle treincoupé kregen enkele geërgerde medereizigers wat Vulcano zand van onze bagage op het rek over zich heen gestrooid.

Ik herinner me Mc Donalds in het station van Roma Termini.

Ik herinner me de verstikkend warme metrotunnels van Rome.

Ik herinner me onze kennismaking met R. J. en F.. Allen onderweg naar de jeugdherberg.

Ik herinner me de grote slaapzaal waar we overnachtten in tegen de muur opgestelde stapelbedden.

Ik herinner me de oude Hawaïaan, op doorreis in Rome.

Ik herinner me R. J., de zelfverklaarde Rome gids. Nederlandse verkooppraatjes enzo.

Ik herinner me de duizenden Vespa's in de boulevards en het oorverdovende straatverkeer overdag.

Ik herinner me R. J. en zijn fotocamera: 'This is a very, very expensive camera.'

Ik herinner me de monumenten van Rome. Het Coloseum, de Ponte Sant'Angelo, de Trevifontein en het Pantheon bij nacht.

Ik herinner me de Sint-Pietersbasiliek. Binnen klonken er hemelse gregoriaanse gezangen die F. ontroerden.

Ik herinner me de beste ijsbar van Rome.

Ik herinner me 'Strangers in the night'. België, Nederland en Brazilië verenigd in de straten van Rome.

Ik herinner me het etentje aan het Pantheon en de gelegenheidsgitarist die verzoeknummers voor ons speelde op het plein.

Ik herinner me de taxirit naar onze jeugdherberg.

Ik herinner me de levendige gesprekken aan de voordeur van onze jeugdherberg met andere backpackers.

Ik herinner me het afscheid aan het station van Roma Termini. Een vereeuwigde groepsfoto.

Ik herinner me het weerzien met Pisa. Zoveel gebeurd sinds ons vertrek.

Ik herinner me de nachtelijke wandeling door de woonwijken van Pisa naar de luchthaven.

Ik herinner me de laatste nacht in Italië. Herinneringen ophalend aan een reis die m'n leven voorgoed had veranderd.

Ik herinner me de industriële skyline van Charleroi.

maandag 4 februari 2013

Dromen over Brazilië

Ik herinner me nog dat mijn moeder me vertelde: "Schrijf de conversatie die we vandaag hebben gehad ergens neer, en raadpleeg ze over twintig jaar nog eens terug. Kijk welke beslissing je uiteindelijk nam en wat je initiële bezwaren waren. Niets is onmogelijk en je moet altijd je hart volgen."

São Jorge, Chapada dos Veadeiros

De lach van Grilo - Brazilië



"Het gesjirp van de krekel en het gekletter van de regen komen door het donker tot mij als ritselende dromen uit mijn voorbije jeugd." Rabindranath Tagore

Ik herinner me nog de wijdse buitenwijken van Araguari. In een provinciestad in de binnenlanden van Minas Gerais lagen de straten te bakken onder de warme namiddagzon. We waren onderweg naar het huis van Grilo.

Bij aankomst waren kleine kinderen aan het spelen op het binnenerf en nieuwsgierig kwamen ze naar ons toe. Grilo was een oude man en lag in een bed in de hoek van een verduisterde woonkamer. Op de achtergrond speelde de TV terwijl zijn dochter aan het koken was in de bijkeuken.

Grilo had lepra gehad en grote delen van zijn armen en benen waren geamputeerd. Was het daarom dat de mensen uit de buurt hem krekel noemden?

Toen ik aan hem werd geïntroduceerd, lachte hij me met de meest hartelijke en tandeloze mond toe. Ik gaf hem een stevige hand bij zijn ellebogen en hij huilde van emotie. Hij zette zich recht op bed en begon languit met ons te praten. Zijn expressieve ogen verlichtten de hele kamer.

Onlangs hoorde ik dat Grilo is gestorven en ik denk gek genoeg nog vaak aan hem terug. 

zondag 3 februari 2013

Volterraio - Elba

Ik herinner me nog de oude, verweerde ruïne van Volterraio op het eiland Elba. Een rotspad bij Bagnaia slingerde de heuvels in en bracht je bij de laatste restanten van deze imposante vesting. Via een donkere uitsparing in de buitenmuur, beklom je een rotsige wand die toegang bood tot de verwilderde binnenplaats. Een afbrokkelende trap leidde naar de onbemande uitkijkposten, vanwaar je een prachtig zicht had over de azuurblauwe baai van Portoferraio. De bewoonde wereld leek vele eeuwen ver.


zondag 16 december 2012

Proloog - Mijn herinneringen

Regionale Beeldbank Mechelen
Hij had nooit in tijdreizen geloofd. Toch dwaalden zijn gedachten tegenwoordig meermaals af naar een niet zo ver verleden. Wanneer hij ’s avonds na een lange dag werken moe en uitgeblust in bed neerzeeg en de ogen sloot, vormde er zich steeds hetzelfde beeld op zijn netvlies. In een mistige waas zag hij dan als op een oude prentkaart het restaurant waar hij de meeste van zijn jeugdjaren had doorgebracht. Hij wist zich hiermee geen raad en de voorbije jaren flitsten op ongestructureerde wijze aan hem voorbij. Vaak werd hij enkele uren later badend in het zweet wakker en kon hij zich niet meer herinneren wie hij was of hoe hij hier terechtkwam.
 
Op één van deze nachten besloot hij met behulp van zijn gedachten het restaurant behoedzaam te naderen. Hij kwam zo dichtbij dat hij zichzelf weerspiegeld zag in de blinkende vitrineramen. Het gekke was dat hij er jonger uitzag dan hij in werkelijkheid was. Hij voelde zijn hart sneller slaan. Als in een film gleed zijn hand naar de deurklink en in één vlotte beweging opende de deur. Wit licht scheen naar buiten en hij hoorde het prettige geroezemoes van een restaurant op het drukst van de dag. Vol vertrouwen stapte hij de eetgelegenheid binnen die de laatste jaren als ‘Onder den toren’ bekend stond.

woensdag 5 december 2012

De Waarheid - Michael Palin

Michael Palin trok voor zijn reisreportages reeds ettelijke malen de wereld rond. Momenteel is hij op Canvas te bewonderen in zijn reisreeks over Brazilië. In zijn tweede roman 'De Waarheid' liet hij het reizen ditmaal over aan zijn protagonist, de 56-jarige schrijver Keith Mabbut.

Mabbut die net terugkomt van een teleurstellende opdracht op de Shetlandeilanden, heeft er een gesponsord boek geschreven over de geschiedenis van de plaatselijke olieterminal. Ontevreden met de manier waarop het boek tot stand kwam, voelt hij zich professioneel op een dood spoor. “Als iemand van de school voor journalistiek had gezegd dat een oliemaatschappij mij tegen m'n zestigste zou bedanken omdat ik ze positief heb neergezet, had ik mijn opleiding eraan gegeven en was ik WC's gaan schoonmaken.”

Nostalgisch denkt hij terug aan zijn dagen als onafhankelijk milieujournalist, toen hij een prijs in de wacht sleepte voor zijn onderzoek naar de illegale lozingspraktijken van een waterbedrijf. Na dit succes, sloten de deuren in het wereldje zich echter hermetisch. Nu leeft hij voornamelijk van freelance opdrachten in de bedrijfsjournalistiek en sporadisch redactiewerk.

Mabbut ontvangt daarenboven het nieuws dat zijn vrouw van hem wil scheiden en ligt totaal overhoop met zichzelf. Op een keerpunt in zijn leven wil hij terug aanknopen met zijn eerste liefde: fictie. Daarnaast neemt hij het besluit om voortaan een onafhankelijke, zelf uitgestippelde koers te varen. Net als hij op het punt staat om zijn ultieme roman te schrijven over de geschiedenis van de mensheid, ontvangt hij een onverwacht telefoontje van zijn literaire agent Silla...

Een onwaarschijnlijk aanbod

Hij krijgt van uitgeverij Urgent Books het onwaarschijnlijke aanbod om de autobiografie te schrijven van Hamish Melville. Deze legendarische milieuactivist wil nooit geïnterviewd worden en mijdt sinds jaren elke vorm van publiciteit. CEO Ron Latham belooft hem een royale verloning als hij het boek in zes maanden weet te voltooien. Ondanks zijn aanvankelijke weigerachtigheid tegenover het project en zijn twijfels bij de figuur van Ron Latham, besluit Mabbut toch op het voorstel in te gaan.

Hij reist naar India waar Hamish Melville volgens welingelichte bronnen verblijft. Mabbut komt hem op het spoor, maar wordt in de jungle ontvoerd door Maoïstische rebellen. Als bij wonder wordt hij van de dood gered door niemand minder dan Melville. Mabbut raakt nauw betrokken bij diens protestactie tegen Astramex, een internationale mijnbouwcorporatie die het land van de plaatselijke bevolking bedreigt. Beetje bij beetje weet hij tot Melville door te dringen en brengt hij het boek tot een goed einde.

Terug in Londen is Ron Latham van Urgent Books echter minder tevreden met het geleverde resultaat en vraagt een aantal aanpassingen aan het boek. Plotseling valt het doek en komt Mabbut terecht in een web van intriges en manipulatie.

Onvervulde idealen

'De Waarheid' is een vlot geschreven boek en zit boordevol gevatte humor. Michael Palin gebruikt zijn jarenlange reiservaringen in de mooie beschrijvingen van het Indische landschap. Het is eveneens een maatschappijkritiek die de milieuproblematiek en de teloorgang van onafhankelijke verslaggeving in de kijker plaatst.

Palin beschrijft hoe mensen die sinds honderden jaren op dezelfde traditionele manier hebben geleefd, door een internationaal concern gedwongen worden hun land te verlaten. Door de mijnbouw wordt onder meer het water vervuild en verdwijnen irrigatiekanalen die ganse landbouwgebieden van water voorzien. De bevolking is niet opgewassen tegen deze machtige organisatie en verliest zo haar eigenheid en leefwijze voor het grote geldgewin.

“Kunnen ze tegengehouden worden?” vraagt Mabbut aan één van de actievoerders. “Iedereen doet zijn mond open, iedereen roept, maar daarna krijgt iedereen een school of een huis of een telefoon. Dus doet iedereen niets. Er staat maar één man aan onze kant, mister Keith! Maar één man voor wie Astramex bang is. Dat zult u nog wel zien.”

Hamish Melville geeft de plaatselijke bevolking een stem waarbij deze eenvoudige mensen toch een vuist kunnen maken.

Ik leefde meteen mee met het hoofdpersonage Keith Mabbut. Palin portretteert hem als een geromantiseerde einzelgänger, die in een gedigitaliseerde wereld nog steeds met een blocnote op pad gaat. Hij gaat enthousiast op zoek naar de waarheid achter de figuur van Hamish Melville, maar is vooral op zoek naar zichzelf. Het is een boek over onvervulde idealen en de universele zoektocht naar de waarheid.

Michael Palin, De WaarheidAmbo/Anthos Uitgevers, Amsterdam, 2012, 336 p.

(op 3 januari 2013 ook verschenen op DeWereldMorgen.be)

zaterdag 10 november 2012

Mechelen tijdens de Groote Oorlog

Mechelen, de nadagen van augustus 1914. Enkele weken terug werd de  Oostenrijkse troonopvolger Franz Ferdinand in Sarajevo vermoord. Oostenrijk-Hongarije beschuldigt Servië van de moord. Wanneer er geen diplomatieke oplossing wordt gevonden, veroorzaakt dit een onvoorstelbare kettingreactie in Europa. De Europese grootmachten komen door reeds bestaande militaire verdragen regelrecht tegenover elkaar te staan en mobiliseren massaal hun legers.

Duitsland verklaart de oorlog aan Frankrijk en vervolgens aan België. Het valt op 4 augustus ons land binnen. Nadat eerst Brussel wordt ingenomen, trekt het Duitse leger verder noordwaarts richting Antwerpen. Wanneer de Duitsers na dagenlange gevechten door de Belgische verdedigingslinies ten zuiden van Mechelen breken, beschrijft de Amerikaanse oorlogscorrespondent E. Alexander Powell de algemene chaos en angst bij de bevolking.
"The retreat from Malines provided a spectacle which I shall never forget. For twenty miles every road was jammed with clattering cavalry, plodding infantry, and rumbling batteries, the guns, limbers, and caissons still covered with the green boughs which had been used to mask their position from German aeroplanes. Gendarmes in giant bearskins, chasseurs in uniforms of green and yellow, carabineers with their shiny leather hats, grenadiers, infantry of the line, guides, lancers, sappers and miners with picks and spades, engineers with pontoon-wagons, machine-guns drawn by dogs, ambulances with huge Red Cross flags fluttering above them, and cars, cars, cars, all the dear old familiar American makes among them, contributed to form a mighty river flowing towards Antwerp. Malines formerly had a population of fifty thousand people, and forty-five thousand of these fled when they heard that the Germans were returning. The scenes along the road were heart-rending in their pathos. The very young and the very old, the rich and the well- to-do and the poverty-stricken, the lame and the sick and the blind, with the few belongings they had been able to save in sheet- wrapped bundles on their backs or piled in push-carts, clogged the roads and impeded the soldiery. These people were abandoning all that they held most dear to pillage and destruction. They were completely terrorized by the Germans. But the Belgian army was not terrorized. It was a retreating army but it was victorious in retreat. The soldiers were cool, confident, courageous, and gave me the feeling that if the German giant left himself unguarded a single instant little Belgium would drive home a solar-plexus blow.
For many days after its evacuation by the Belgians, Malines occupied an unhappy position midway between the contending armies, being alternately bombarded by the Belgians and the Germans. The latter, instead of endeavouring to avoid damaging the splendid cathedral, whose tower, three hundred and twenty-five feet high, is the most conspicuous landmark in the region, seemed to take a grim pleasure in directing their fire upon the ancient building. The great clock, the largest in Belgium, was destroyed; the famous stained-glass windows were broken; the exquisite carvings were shattered; and shells, crashing through the walls and roof, converted the beautiful interior into a heap of debris. As there were no Belgian troops in Malines at this time, and as this fact was perfectly well known to the Germans, this bombardment of an undefended city and the destruction of its historic monuments struck me as being peculiarly wanton and not induced by any military necessity. It was, of course, part and parcel of the German policy of terrorism and intimidation. The bombardment of cities, the destruction of historic monuments, the burning of villages, and, in many cases, the massacre of civilians was the price which the Belgians were forced to pay for resisting the invader.

In order to ascertain just what damage had been done to the city, and particularly to the cathedral, I ran into Malines in my car during a pause in the bombardment. As the streets were too narrow to permit of turning the car around, and as it was more than probable that we should have to get out in a hurry, Roos suggested that we run in backward, which we did, I standing up in the tonneau, field-glasses glued to my eyes, on the look-out for lurking Germans. I don't recall ever having had a more eerie experience than that surreptitious visit to Malines. The city was as silent and deserted as a cemetery; there was not a human being to be seen; and as we cautiously advanced through the narrow, winding streets, the vacant houses echoed the throbbing of the motor with a racket which was positively startling. Just as we reached the square in front of the cathedral a German shell came shrieking over the house-tops and burst with a shattering crash in the upper story of a building a few yards away. The whole front of that building came crashing down about us in a cascade of brick and plaster. We did not stay on the order of our going. No. We went out of that town faster than any automobile every went out of it before. We went so fast, in fact, that we struck and killed the only remaining inhabitant. He was a large yellow dog."
E. Alexander Powell, Fighting in Flanders, New York, 1914
(op 9 november 2012 ook verschenen op Mechelen Blogt)